Een van de meest praktische veranderingen van het experiment betreft de handelsvoorraad van de coffeeshop.
Van 500 gram naar weekvoorraad
Onder het klassieke gedoogbeleid mag een coffeeshop maximaal 500 gram handelsvoorraad aanwezig hebben, een grens die in de praktijk betekent dat shops zich vele malen per dag illegaal moeten laten bevoorraden. Binnen het experiment geldt die grens niet. In plaats daarvan bepaalt artikel 5, tweede lid, van het Besluit: de voorraad mag niet groter zijn dan de hoeveelheid die de coffeeshophouder op weekbasis nodig heeft voor de verkoop aan klanten.
Die weekvoorraad maakt de bevoorrading veiliger en beter planbaar: minder transportbewegingen, geen contante "achterdeur"-leveringen meer, en een voorraad die past bij de werkelijke omzet van de shop.
De burgemeester bepaalt de berekening
Hoe de weekvoorraad wordt berekend, bepaalt de burgemeester van de deelnemende gemeente. Die kan daarbij ook een strengere (lagere) grens opleggen. In de praktijk wordt de toegestane voorraad dus afgeleid van de verkoopcijfers van de coffeeshop zelf.
Dat maakt betrouwbare verkoopdata tot de basis van de voorraadruimte: een coffeeshophouder die zijn omzet per product nauwkeurig bijhoudt, bijvoorbeeld met een kassasysteem dat verkoop en voorraad per verpakkingseenheid registreert, kan de benodigde weekvoorraad goed onderbouwen richting de gemeente én aantonen dat de aanwezige voorraad binnen de toegestane hoeveelheid blijft.
Voorraad en de gesloten keten
De voorraadregel staat niet op zichzelf. De aanwezige voorraad moet op elk moment aansluiten op de registratie in het track-and-tracesysteem: ontvangen leveringen minus verkopen, derving en retouren. Bij een controle vergelijkt de toezichthouder van de gemeente de fysieke voorraad met de registratie, en met de toegestane weekhoeveelheid.